Een eskimo ging dagelijks de woelige, koude zee op om te vissen. Iedere morgen vroeg hij zijn grootmoeder om haar kracht, opdat zijn bootje zou blijven drijven; een vaste bodem in het overweldigende water. Gedurende heel haar leven kwam hij behouden thuis. Dan sterft zij. Omdat haar zegeningen hem niet meer kunnen bereiken, neemt de man, teneinde raad, de huid van zijn grootmoeder en bindt die om zijn bootje. De tijd verstrijkt en het zilte water verteert de huid. De eskimo voelt zijn schuitje wankeler worden. Dan krijgt hij een ingeving om het beeld van zijn grootmoeder op de boot te schilderen. En zie: alle kracht en bemoediging hernieuwen zich in dit -geschilderde- beeld. Het beeld creëert het evenwicht tussen angst en behoedzaamheid in het overweldigende water. En de eskimo heeft rust gevonden, hij kan varen, zijn leven lang.